Blog

Algemeen

Nog eens 2032

30 mei 2016  |   Gerard van Drielen  

Zijn we de leraren vergeten?

Enkele tijd geleden landde een brief van onze staatssecretaris Sander Dekker op mijn bureau die gericht was aan het bestuur van de Onderwijscooperatie, gedateerd op 4 april 2016. In die brief verzoekt hij het bestuur van de Onderwijcooperatie om uiterlijk op 15 april te komen met een voorstel om de betrokkenheid van leraren bij de uitwerking van het advies Ons Onderwijs 2032 te vergroten. Dekker vraagt daarnaast om een voorstel hoe “een breed gedragen toekomstgericht curriculum” gerealiseerd kan worden. Ik kreeg bij deze teksten een ongemakkelijk gevoel. De staatssecretaris vraagt om een advies om de betrokkenheid van leraren te vergroten bij de uitwerking van Onderwijs 2032; kennelijk schort het daar nog aan. Mijn ongemak komt voort uit het feit dat  er met Onderwijs 2032 een grootschalig en langdurig proces wordt ingezet, terwijl de verantwoordelijke bewindsman nu kennelijk plots inziet dat het nodig is een grote betrokkenheid van leraren hierbij te organiseren. Voor het advies geeft hij het bestuur van de Onderwijscooperatie de tijd tot 15 april. Grote haast is kennelijk geboden, anders gaat er misschien iets niet goed. Of drukt deze korte termijn iets uit over het belang dat de staatssecretaris hecht aan een –tot dusverre onvoldoende gerealiseerde-  betrokkenheid van leraren?

Ongemak

Wat hier ook van zij, ik had hetzelfde ongemak dat ik voelde toen ik het eindadvies van Ons Onderwijs 2032 las. Sinds het verschijnen daarvan in januari 2016 is er op verschillende plaatsen in kritische zin over gesproken en gepubliceerd. Geleidelijk stelde ik vast dat ik niet de enige was die zich bij de inhoud en het voorziene proces van Onderwijs 2032 ongemakkelijk voelde. Dat deed me besluiten het advies nog eens door te nemen om te kijken waar dat ongemak nu precies vandaan komt.

Een sociaal democraat in liberaal tenue?

Als het aan Dekker ligt staan we aan de vooravond van een grootschalig en diep ingrijpend proces in het onderwijs dat gevolgen zal hebben voor alle niveaus in de gehele onderwijskolom, van voorschool tot en met hoger onderwijs. Politiek gezien zijn dit soort grootschalige hervormingen in het onderwijs veelal de speeltuin geweest van de sociaal democratie. Vanuit de gedachte van de maakbare samenleving en vooral gedreven door ideologie, maar minder door analyse en goede onderbouwing, zijn er grote veranderingen in het onderwijs doorgevoerd, waarvan het effect achteraf twijfelachtig bleek. Deze wat treurige balans leidde ertoe dat de Tweede Kamer een commissie instelde die naar deze problemen moest gaan kijken.  In 2008 publiceerde deze commissie Dijsselbloem –nota bene een kamerlid van sociaal democratische snit - een rapport waarin harde noten werden gekraakt over de voorbije grootschalige wijzigingen in het onderwijs. De commissie had stevige kritiek op het gedrag van de politiek en adviseerde om in de toekomst te zorgen voor een stevig en breed draagvlak in het werkveld.  De commissie bepleitte ook dat er in het vervolg eerst maar eens tijd moest worden genomen voor goede analyses alvorens tot handelen over te gaan. Ten slotte wees de commissie er ook op dat er in voldoende mate wetenschappelijke onderbouwing –evidence based- moest komen voordat veranderingen zouden worden ingezet. Het sociaal democratische deel van onze volksvertegenwoordiging werd daarmee in de stand geplaatst van reflectie op het eigen handelen tijdens de voorgaande jaren. De politiek als geheel sprak uit dat men terughoudend wilde zijn in het hebben van al te brede en grote ambities met de inrichting van het onderwijssysteem. Dit alles overziend hebben we nu te maken met een uitzonderlijke situatie: de gedachte van het “grand design” in het onderwijs blijkt nu geadopteerd te zijn in liberale kring. Onze VVD- staatssecretaris Sander Dekker is bezig met grote haast een alomvattende verandering in het curriculum van primair en voortgezet onderwijs door te voeren, die moet starten in 2017.  De commissie Dijsselbloem heeft gezorgd voor “lessons learned”. We mogen hopen dat deze worden overgenomen door de linkse kringen, die in het verleden een overmaat aan ambities hadden met het onderwijs. Deze lessen lijken in elk geval geen ingang gevonden te hebben in de liberale kring. Er is een grote ambitie, er is grote haast, van een goede analyse van de huidige stand in het onderwijs is niets te merken in het advies en het advies bevat vooral veel wensen.

Het beeld van de leerling

Het advies opnieuw lezend stel ik vast dat mijn ongemak zeker ook voortkomt uit het gegeven dat de commissie kennelijk een uniform beeld heeft van de leerling, wat niet alleen naïef is, maar ook onrealistisch. Het beeld dat men van de leerling heeft is dat van het individu dat zijn eigen talenten zoveel mogelijk zelf gaat ontwikkelen, daarin op maat wordt bediend door het onderwijs en zelf de regie neemt op die eigen ontwikkeling. Die sterke gerichtheid op de individuele ontwikkeling valt te duiden als een neo-liberale benadering en daarmee bekent onze staatssecretaris dan weer wel zijn politieke kleur; die duidelijkheid is er tenminste wel. Maar dat dit beeld voor alle leerlingen zou gelden is naïef en onjuist. Een groot deel van de leerlingen heeft juist goede begeleiding van betrokken leraren nodig om te ontdekken welke keuzes in leerstrategie gemaakt kunnen worden, anders wordt het beoogde leerdoel niet behaald. Het onderwijs moet zich ten doel stellen leerlingen te begeleiden naar zelfstandigheid in plaats van vooraf uit te gaan van voldoende aanwezigheid van zelfstandigheid. Ongetwijfeld zullen er leerlingen zijn die vanuit hun individuele talent en vanuit hun achtergrond in voldoende mate beschikken over zelfstandigheid om zelf mede het verloop van hun leren in te vullen. Maar als ik het generieke beeld van de commissie leg over het beeld van de leerlingen van mijn scholen in de Haagse wijken waar de minder bevoorrechte kinderen naar school gaan, dan past dat zeker niet.  Ik zou hen onrecht aandoen met de onderwijsbenadering die door de commissie “tout court” wordt aangereikt en ik weet uit ervaring dat dit ook geldt voor de andere grote steden.

Een nieuw curriculum. En de pedagogiek?

Het advies van de commissie gaat over de vraag welke inhouden een plaats moeten gaan krijgen in het curriculum van primair en voortgezet onderwijs, een klassieke benadering van curriculumverandering. Op zichzelf is dat niet onterecht: het onderwijs moet zich voortdurend afvragen of zijn inhouden nog wel actueel zijn en dat geldt des te meer in een wereld waarin snelle technologische veranderingen aan de orde zijn. Maar het advies leunt op een eenzijdige gerichtheid op dit deel van de opdracht van het onderwijs. Over de vraag wat de snelle veranderingen in het sociale en demografische domein vragen van de pedagogische opdracht van het onderwijs laat het rapport zich niet uit. De scholen en klassen kenmerken zich in veel gevallen vooral  door diversiteit, van culturele achtergrond, van religieuze achtergrond van sociale achtergrond. Of er nu een oud of een nieuw curriculum is, geleerd wordt er pas als er een goed pedagogisch klimaat heerst in de klas. Die pedagogisch opdracht is de allereerste voor de leraar, verbinding maken met de leerlingen en zorgen voor verbinding tussen leerlingen onderling, zodat er ruimte ontstaat om belangrijke inhouden aan de orde te hebben. Dat hiervan geen bewustzijn in het rapport doorklinkt, maakt dat de plank hier pijnlijk mis geslagen wordt. Die misser is des te pijnlijker als blijkt dat we dit belang van de leraar met een lampje moeten zoeken in het rapport. We weten allemaal uit eigen ervaring hoe belangrijk de persoon van een leraar voor leerlingen kan zijn; iedereen herinnert zich wel de leraar die voor hem of haar in de klas het verschil maakte, zorgde voor inspiratie. Die individuele ervaringen worden geschraagd door onderzoeken die duidelijk hebben gemaakt dat het belangrijkste element in het onderwijs de relatie tussen de leraar en de leerling is. Die relatie heeft de meest bepalende invloed op de uitkomst van het leren, en die rol wint alleen nog maar aan belang. Met de toenemende diversiteit van onze schoolbevolking en de toenemende veranderingen in de wereld om ons heen wordt dat aspect van het handelen van de leraar alleen maar nog belangrijker.

De kern en de ruimte

Met alle kritiek die je erop kunt hebben biedt het rapport op het eerste gezicht ook wel een aanlokkelijk perspectief.  Een nieuw curriculum met een vaste kern en vrije ruimte voor de scholen is een nastrevenswaardig beeld. Het biedt duidelijkheid in de kern, die er nu vaak niet is, en maakt keuzes van scholen mogelijk, waarvoor de ruimte nu ook niet duidelijk is. Maar ook op dit punt dringt het ongemak zich op. Als ik allemaal op een rijtje zet wat er van belang wordt geacht voor alle leerlingen, en wat er dus in het kerncurriculum moet komen, dan is dat heel wat. Gebrek aan ambitie kan de schrijvers van het rapport hier niet verweten worden. Als we dat op een behoorlijk niveau moeten doen, dan lijkt de ruimte om eigen keuzes te maken wel zeer beperkt te worden. Dat wordt nog versterkt doordat politici slecht “op hun handen kunnen blijven zitten” als er brede maatschappelijke noden worden gesignaleerd. Die noden leiden vaak tot de politieke reflex dat het de taak van het onderwijs zou zijn om aan deze noden wat te gaan doen. Op die manier komen tijdens de rit allerhande onderwerpen de school binnen die voor alle leerlingen relevant worden geacht en daarmee neemt de druk op de eigen keuzeruimte van de school toe. Dat dit risico van “niet op de handen kunnen blijven zitten” niet denkbeeldig is werd afgelopen week weer eens indringend duidelijk. Bij de presentatie van de Staat van het Onderwijs signaleerde de Inspectie dat er sprake is van een toenemende ongelijkheid tussen leerlingen en hun schoolsucces. Een van de door de Inspectie aangereikte verklaringen hiervoor was het assertieve gedrag van hoog opgeleide ouders die druk leggen op de school bij de formulering van het basisschooladvies. Vrijwel onmiddellijk leidde dat tot de conclusie vanuit de politiek dat de CITO toets dan maar weer zijn oude positie zou moeten terugkrijgen, alsof het veranderen van de rol van die toets als de beslissende factor in dit proces moest worden geduid. Dergelijke reflexen kan het onderwijs goed missen, ze leiden af van wat echt van belang is en zitten goed onderwijs eerder in de weg dan dat ze goed onderwijs bevorderen.

Toch: onderwijs van de toekomst

Onderwijs moet te allen tijde gaan over wat de leerlingen nodig hebben om verder te kunnen komen. Bij het vormgeven van dat onderwijs  moeten we ons mede laten leiden door onze ervaringen vanuit het verleden. Grootschalige vernieuwingen die in straf tempo werden doorgevoerd hebben nimmer de gewenste resultaten gebracht. Ruimte voor experiment maken en vanuit die opbrengsten verder werken zorgt voor verbinding met leraren en scholen. Dat is een wezenlijk andere benadering dat wat zich nu lijkt te ontvouwen: een vooraf opgelegd kerncurriculum dat door een beperkte groep in de grondverf is gezet, hoeveel Tweets, Facebookberichten, onlinebijdragen en websitebezoeken er ook aan vooraf zijn gegaan. Daarmee is er nog geen sprake van een breed gedragen ontwikkelingsrichting. Zorg voor een goede balans tussen de kern en de vrije ruimte, waarbij de kern niet overvoerd raakt en er daadwerkelijk ruimte is en blijft voor lokale inkleuring, dat zorgt voor draagvlak bij de leraren en de scholen. Benoem, erken en borg de pedagogische opdracht van de leraar als de meest invloedrijke factor voor het schoolsucces van de leerlingen. Maak ruimte in de uitvoering van het onderwijs voor verschillen tussen (groepen van) leerlingen en pas pedagogische en didactische principes toe die bij die verschillen horen. Zorg voor een verantwoord tempo waarbij ook de resultaten van de veranderingen zorgvuldig worden onderzocht. Dijsselbloem leerde ons dat we afstand moeten nemen van blauwdrukken als basis voor veranderingen; laten we bij die les blijven, als werkenden in het onderwijs en als politici.
 
Deze blog heb ik geschreven mede op basis van overleg over deze materie in mijn eigen organisatie, de Stichting Christelijk Onderwijs Haaglanden. Verder heb ik gebruik gemaakt van publicaties van het Ministerie van OCW, van het eindadvies Ons Onderwijs 2032, van publicaties van Maarten Huygen (NRC), Ron Bormans en Kees Boele (voorzitters van resp. Hogeschool Rotterdam en Hogeschool Arnhem Nijmegen).
Delen: